top of page
Voor leesvaardigheid zijn vooral de woordsoorten zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden en de zinsdelen onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp en bijwoordelijke bepalingen het belangrijkst. Ze vormen de kern van wat er in een tekst gebeurt en wie erbij betrokken is.
Woordsoorten = taalkundig
1. Zelfstandig naamwoord (znw)
2. Lidwoord (lw)
3. Bijvoeglijk naamwoord (bnw)
4. Voornaamwoord (vnw)
-
Persoonlijk
-
Bezittelijk
-
Aanwijzend
-
Vragend
-
Betrekkelijk
-
Wederkerig
-
Wederkerend
-
Onbepaald
5. Werkwoord (ww)
-
Koppelwerkwoord
-
Zwak werkwoord
-
Sterk werkwoord
6. Bijwoord (bw)
7. Telwoord (tw)
8. Voorzetsel (vz)
9. Voegwoord (vw)
10. Tussenwerpsel (tsw)
Zinsdelen = redekundig
1. Onderwerp (o)
2. Werkwoordelijk gezegde (wg)
+
3. Naamwoordelijk gezegde (ng)
4. Lijdend voorwerp (lv)
5. Meewerkend voorwerp (mv)
6. Voorzetselvoorwerp (vv)
+
7. Bijwoordelijke bepaling (bwb)
8. Bijvoeglijke bepaling (bvb)
EXTRA
EXTRA
bottom of page





